1. vorige
  2. volgende

Onderschatting van alles waar een marron aan begint (VII)

PARAMARIBO - De dagelijkse praktijk doet vermoeden dat er nog steeds stedelingen zijn die denken dat de marrons uit het binnenland van Suriname aan de onderkant van de samenleving behoren te zijn. In een serie artikelen met als thema ‘Onderschatting van alles waar een marron aan begint’ zullen de identiteitsvormingsprocessen en de zichtbare bijdragen van de marrons aan de ontwikkeling van Suriname nader worden toegelicht.

Tekst: André Mosis

Het belangrijkste element voor de marrons uit de vrede van 10 oktober 1760 is dat hun vrijheid wordt erkend en dat hen een zekere mate van autonomie wordt toegekend.

1. Wat is gebeurd, wordt vergeven en vergeten en vanaf heden zijn zij vrije mensen;

2. Zij zijn vrij zich te vestigen waar ze willen, echter na kennisgeving aan en goedkeuring door de overheid en mits minstens tien uren varen verwijderd van het plantagegebied. Tevens mogen ze hout bewerken. Voor de koloniale overheid was vooral van belang dat ze werd bevrijd van een binnenlandse vijand, dat de bewegingsvrijheid van de marrons aan banden werd gelegd.

3. Ze moeten ontvluchte slaven uitleveren en ontvangen hiervoor een premie van tien tot vijftig gulden.

Het is duidelijk dat bepaalde autoriteiten hebben gepoogd de vredesverdragen die zijn gesloten in de zeventiende en achttiende eeuw tussen de koloniale overheid en de marrons, te wissen uit de slavernijgeschiedenis van Suriname. Dit getuigt van te weinig historisch inzicht, discriminatie, onderschatting, onvoldoende besef van de vrijheidsstrijd van de marrons en geen respect voor de behaalde overwinning van de marronstrijders.

De vredesverdragen maken de littekens in het gezicht van de witte overheersers zichtbaar. Door de vredesverdragen weten wij vandaag de dag dat de witte overheersers ergens bang voor waren, met name de marrons. De vredesverdragen zijn het bewijs dat er een geduchte tegenstander was die gelijkwaardigheid ten opzichte van de witte suprematie opeiste.

De strijd van de marrons verdient erkenning en zo ook de vredesverdragen, omdat deze worden gezien als de kroon op die strijd. Een vermelding in de Grondwet van de republiek Suriname is op zijn minst een welverdiende plaats gezien het feit dat ze totde dag van vandaag worden erkend door de centrale overheid.

De marrons werden gezien als een onbenut en potentieel arbeidsreserve. Tijdens de begrotingsdebatten in de Eerste Kamer in Nederland in 1917 was er al op aangedrongen dat de marrons meer geïntegreerd zouden worden in de Surinaamse samenleving. Ook in de Koloniale Staten werd hier aandacht voor gevraagd. Hierbij werd er gesproken van "een staat in de staat".

Op voorstel van gouverneur Gerard Johan Staal (1916-1920) zou worden begonnen met een experiment bij de Okanisi aan de Tapanahony. Naast de behoefte aan goedkope arbeid en aan grondstoffen, lag ten grondslag aan het ontwikkelingsplan de integratie van de marrons in de samenleving en de geleidelijke opheffing van hun status van autonomie. Een achterliggende gedachte bij de plannen vormde het veronderstelde structurele tekort aan arbeidskrachten, waardoor de overheid voortdurend meende haar toevlucht te moeten nemen tot de werving van contractarbeiders.

De relatie tussen de marrons en de overheid in de afgelopen drie eeuwen wordt gekenmerkt door wantrouwen, bedrog, onbegrip, gebrek aan wederzijdse kennis, vooroordelen en desinteresse. De houding van de centrale overheid met betrekking tot de marrons is nog altijd dubbelzinnig. Enerzijds verzwijgt zij de verdragen en anderzijds leeft zij ze wel na. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er ten behoeve van het binnenland en zijn bewoners weinig fundamenteels tot stand is gekomen.

Gedurende de periode dat Nederland het beleid min of meer bepaalde, tot 1954 (Statuut), vielen de marrons vrijwel volledig buiten hetgezichtsveld van de overheid. Slechts de Rooms-Katholieke missie en de Evangelische Broedergemeenten trokken zich het lot van de marrons aan. Hoewel bij hun activiteiten kanttekeningen kunnen worden geplaatst, bijvoorbeeld bij de wijze waarop zij de religie en de cultuur van de marrons bejegenden, verdienen deze instanties lof voor de wijze waarop zij zich, vaak ten koste van grote ontberingen, hebben ingespannen om enige ontwikkeling in het binnenland tot stand tebrengen. Daarbij kan met name worden gedacht aan onderwijs, medische zorg en in een later stadium ook landouwvoorlichting. In ruil daarvoor hebben deze christelijke kerken zielen gewonnen voor het in standhouden en de verdere ontwikkeling van het christelijk geloof binnen de marrongemeenschappen.

Ontwikkelingsplannen en het ontwikkelingsbeleid werden duidelijk geformuleerd vanuit de behoefte van de overheid ten gunste van de stadsmens. Economische ontwikkelingsprojecten in het binnenland werden opgezet daar waar zij de nationale economie ten goede kwamen. Deze vorm van discriminatie en onderschatting van het marron-bewustzijn is gecreëerd en in stand gehouden door de centrale overheid en de Surinaamse politiek.

Bronnen:

• Archief De Nationale Assemblee

• Archief de Ware Tijd

• Thoden van Velzen en Van Wetering, 1988

• Informant: Bert Eersteling (schrijver van onder meer 'Koffiekampers in de politiek', 'Het binnenland en de politiek', 'Het woord marron in Surinaams historisch perspectief' et cetera)

• Wikipedia: Onderwijs in Suriname

• Plantage Jagtlust (Jacob van den Burg)

• Bosnegers en Overheid Ontwikkelingen van de politieke verhoudingen 1650-1988 (André Mosis en Ben Scholtens)

OSO. Tijdschrift voor Surinaamse taalkunde, letterkunde en geschiedenis. Jaargang 12 en 19

  1. marrons 16
  2. overheid 10
  3. vredesverdragen 5
  4. binnenland 5
  5. suriname 4