1. vorige
  2. volgende

REDD+ voorbereidingsfase legt fundament voor financiële compensatie Surinaams bos

Suriname kreeg in 2014 van de Forest Carbon Partnership Facility (FCPF) van de Wereldbank financiële middelen om milieubeleid op het gebied van duurzaam beheer van de bossen vast te stellen. Eind 2021 rondt Suriname de voorbereidingsfase af van het REDD+ Programma. Hiermee is het fundament gelegd voor daadwerkelijke uitvoering van REDD+ projecten. In een serie artikelen wordt een chronologisch overzicht gegeven van hoe deze voorbereidingsfase zich heeft ontwikkeld en van de stappen die zijn doorlopen naar de uitvoeringsfase.

Inleiding
Van de totale mondiale uitstoot van CO2 (koolstofdioxide) is ruim twintig procent toe te schrijven aan ontbossing. Bossen houden CO2 vast en vormen daardoor een opslagplaats van koolstof. Dat betekent dat bij ontbossing CO2 vrijkomt, wat bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Daarom is het tegengaan van ontbossing een belangrijk vereiste om klimaatverandering tegen te gaan. REDD+ is een financieringsmechanisme dat is ingesteld onder het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties om ontbossing en bosdegradatie (bosverarming) te verminderen. REDD+ staat dus voor het verminderen van de uitstoot van CO2 door ontbossing en bosdegradatie én het verminderen van de uitstoot door duurzaam beheer van bossen.

Naast het leveren van een bijdrage aan dit internationaal doel biedt het mechanisme de gelegenheid om met het uitvoeren van REDD+ projecten, duurzame financiële voordelen te behalen uit het bos. Suriname heeft de status van een land met een hoge bosbedekking en een lage ontbossingsgraad. Uit de ontbossingskaart van 2018 – 2019, gepubliceerd door de Stichting voor Bosbeheer en Bostoezicht (SBB), blijkt dat Suriname een laag percentage heeft aan zowel ontbossing (jaarlijks 0,02-0,07%) als bosdegradatie. Maar de druk op onze bossen neemt gestaag toe. Dit komt door de verhoogde economische activiteiten, voornamelijk in de goudmijnbouw en door de aanleg van infrastructuur. De kleinschalige goudmijnbouw is verantwoordelijk voor ruim 69 procent van de jaarlijkse ontbossing. Ook de verhoogde rondhoutproductie van ruim 1 miljoen m3 in 2018 en 2019 heeft gezorgd voor een toename van bosdegradatie.

Structuur
In de voorbereidingsfase van het REDD+ programma is gewerkt aan een beleidsstructuur met duidelijke beheersgebieden. Het ministerie van Ruimtelijke Ordening en Milieu (ROM) is binnen het Klimaatverdrag (United Nations Framework Convention on Climate Change – UNFCCC), het centraal aanspreekpunt ofwel focal point dat belast is met het nationale klimaatbeleid. Onder dit ministerie is het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling In Suriname (NIMOS) aangewezen als de technische coördinator van het REDD + programma. Bij het NIMOS is de REDD+ Programma Management Unit (PMU) belast met de dagelijkse monitoring van het REDD+ Programma, dat gebaseerd is op de volgende vier fundamenten.

“De nationale REDD+ strategie is een uitgewerkte visie, missie en pakket van maatregelen over hoe Suriname invulling zal geven aan het duurzaam ontwikkelen en gebruik van zijn bossen”, zegt Sandra Bihari, projectcoördinator van het REDD+ programma. Strategische uitgangspunten zijn het behouden van de status als land met een hoge bosbedekking en een lage ontbossingsgraad. “Door daarin te investeren met REDD+ projecten, behoort het bos tot een economische natuurlijke hulpbron, waarvoor financiële compensatie kan worden verkregen.” Een ander strategisch doel is de betrokkenheid van verschillende partners en doelgroepen bij de duurzame ontwikkeling van het bos, met voldoende controle en toezichthoudende instrumenten. In het nationaal plan is ook opgenomen het maken van wetgevingsproducten en capaciteitsversterking van instituten die betrokken worden bij de duurzame bosontwikkeling.

Om het REDD+ programma te kunnen uitvoeren is in de voorbereidingsfase een Nationaal Bos Monitoringssysteem ofwel National Forest Monitoring System (NFMS) ontwikkeld. Dit is uitgevoerd door de SBB die binnen de beleidsstructuur de technische partner is. “Het monitoren van het bos is, naast het kunnen uitvoeren van het REDD+ programma, ook belangrijk bij het duurzaam beheren van het bos”, vertelt René Somopawiro, directeur Onderzoek en Ontwikkeling bij SBB. Het monitoringssysteem bestaat uit verschillende onderdelen die met elkaar te maken hebben.

Het Safeguards Information System (SIS) is een veiligheidssysteem, waarmee REDD+ landen zoals Suriname hebben ingestemd bij het uitvoeren van het REDD+ programma. Het SIS is gebaseerd op afspraken die in 2010 in de Mexicaanse stad Cancun zijn gemaakt door landen die partner zijn bij het Klimaatverdrag. De REDD+ landen moeten in een samenvattend informatierapport (‘Summary of Information’) aangeven hoe de Cancun-standaarden worden gewaarborgd bij de uitvoering van de REDD+ projecten. Onder de Cancun-standaarden behoort onder andere dat REDD+ landen zich houden aan nationale en internationale doelstellingen voor duurzaam bosbeheer. Maar ook dat zij effectieve en transparante structuren hebben voor bosbeheer, waarbij rekening wordt gehouden met wetgeving. Nog een belangrijke standaard is dat de kennis en rechten van inheemse volkeren en in stamverband levende gemeenschappen worden gerespecteerd, door rekening te houden met belangrijke internationale verdragen.

Het Forest Reference Emission Level (FREL) is het niveau van nationale uitstoot van CO2 door ontbossings- en bosdegradatie-activiteiten. In Suriname zijn de grootste uitstootbronnen mijnbouw, houtkap en aanleg van nieuwe infrastructuur. Het FREL-rapport doet ook een voorspelling van de toekomstige CO2-uitstoot op basis van historische data en de nationale ontwikkelingen en beleidsplannen. De beoordeling wordt gebaseerd op onder andere welke activiteiten en mitigerende (temperende) maatregelen worden ontplooid om ontbossing en bosdegradatie tegen te gaan en uitstoot te verminderen. Suriname heeft intussen twee FREL-rapporten ingediend bij het secretariaat van de UNFCCC. Het eerste rapport is van 2018 en in januari 2021 werd het tweede ingediend. De FREL is een belangrijk toetsinstrument voor om het land in aanmerking te laten komen voor financiële compensatie bij de uiteindelijke REDD+ projectinvesteringen.

Garantie op succes
“De geboekte resultaten en voorspelde voordelen moeten garant staan voor een daadwerkelijke duurzame benutting van ons bos”, zegt Bihari. “Zoals bosproductie, het scheppen van werkgelegenheid, het introduceren van efficiënte processen in de bossector, verminderen van de export van rondhout en de toename van eigen Surinaamse houtproducten. En uiteindelijk financieel voordeel uit de emissiehandel door het uitvoeren van deze projecten.” De toekomstige voordelen zijn gebaseerd op een fundament dat doelbewust is gelegd tijdens de voorbereidingsfase. Daarnaast is geïnvesteerd in het versterken van Surinaamse instituten die te maken hebben met de duurzame ontwikkeling van onze bossen. Dit geldt ook voor nieuwe technologieën en capaciteitsversterking van lokale gemeenschappen met betrekking tot alternatieve mogelijkheden voor duurzame benutting van het bos.

Emissiehandel
De term ‘emissie’ wordt gebruikt voor de uitstoot van broeikasgassen. Onder emissiehandel wordt verstaan de hoeveelheden uitstoot van CO2, waaraan internationaal per unit (eenheid) een bepaalde financiële waarde is toegekend. De zogeheten ‘koolstofkredieten’. In dit verband betekent het REDD+ programma hoeveel van deze waarde behouden bossen uiteindelijk kunnen opleveren voor Suriname met de REDD+ Projecten. Gemeten naar de internationale normen is onze landelijke CO2-uitstoot verre van alarmerend. Daarmee draagt Suriname niet alleen bij aan de internationale afspraak om uitstoot te verminderen. Ook kan het land hiermee financieel voordeel halen met de verkoop van emissie-units die voorkomen zijn.

Zo kunnen landen en bedrijven (veelal uit de geïndustrialiseerde wereld) die zich gebonden hebben aan het streven CO2-uitstoot terug te dringen, emissierechten opkopen bij Suriname door te investeren in REDD+ projecten. Zo biedt het REDD+ programma bosrijke landen zoals Suriname de gelegenheid om de internationaal vastgestelde duurzame ontwikkelingsdoelen, waaraan zij zich hebben verplicht, na te streven en te behalen. Dat is een niet te onderschatten aspect van de voordelen van het REDD+ programma.

Na de instelling van de Nationale Milieu Autoriteit zal een structuur worden vastgesteld voor hoe de emissiehandel moet plaatsvinden. Volgens Cedric Nelom, waarnemend directeur van het NIMOS, moet gedacht worden aan het opzetten van een Carbon Intelligence Unit. Deze afdeling zal zich bezighouden met het verzamelen van technische data over de emissiehandel en daaruit, samen met het ministerie van ROM, beleid formuleren. “In dit verband zal het nodig zijn de komende offshore olie- en gasactiviteiten in de gaten te houden”, zegt Nelom. Suriname heeft nu nog de status van ‘carbon-negatiefland’, dat wil zeggen dat de uitstoot van CO-2 minimaal is. “Maar gelet op deze ontwikkelingen moet voorkomen worden dat onze status omslaat naar carbon-positiefland.”

Klimaatfinanciering

Een belangrijke basis die is gelegd voor de REDD+ invoeringsfase, is het in het leven roepen van een Milieuraamwet. Overeenkomstig deze wet zal een milieufonds worden opgericht. “Met een dergelijk fonds wordt de garantie gegeven voor het financieren van duurzame economische sectoren”, zegt Nelom. “Zoals productieactiviteiten binnen de agrarische sector, om zo veel mogelijk ontbossing en bosdegradatie te voorkomen. Als ondersteuning van het REDD+ programma moeten uiteindelijk verschillende mechanismen worden opgezet.”

Naast een algemeen milieufonds, dat de middelen verkregen uit de projecten beheert, is het van belang een REDD+ Benefit Sharing Mechanisme (BSM) in te stellen. Hiermee zullen opbrengsten en voordelen uit de uitgevoerde projecten worden geregistreerd. Dit is nodig voor de doelmatige en rechtmatige verdeling van deze voordelen onder de verschillende partners. Onderstreept moet worden dat de overheid niet de enige begunstigde zal zijn. Opbrengsten, resultaten en voordelen, vooral die uit projecten die in de woon- en leefgebieden van de inheemse en tribale volken worden uitgevoerd, moeten deels terugvloeien naar lokale gemeenschappen. Ook de instituten en bedrijven die in de projecten participeren delen hierin mee.

Als afsluiting van dit eerste deel van deze serie artikelen is het bemoedigend om vast te stellen, dat in Suriname het besef toeneemt dat met bosbehoud veel meer potentie is voor economische groei, dan alleen met goudwinning, bosbouw en andere niet duurzame ontwikkelingssectoren. “Dat moet mede worden toegeschreven aan de afgelopen jaren waarin de REDD+ voorbereidingsfase is uitgevoerd”, zegt Bihari. “We hebben geconstateerd dat er een enorme verruiming van dit besef heeft plaatsgevonden, al is dat nog niet op het gewenste niveau.” Volgens Bihari heeft Suriname in de voorbereidingsfase de onderdelen en randvoorwaarden gerealiseerd, die nodig zijn voor de daadwerkelijke uitvoering van REDD+ projecten en de emissiehandel. Thans wordt er verder gewerkt aan het versterken van de beleidsstructuren.-.

(Dit artikel is aangeboden door de PMU van het Suriname REDD+ Programma)

  1. redd 31
  2. suriname 17
  3. programma 13
  4. projecten 12
  5. uitstoot 12