Nederland en herstelbetalingen [COLUMN]

Door Usha Marhé – Herstelbetalingen. Reparatiecommissie. Woorden die we steeds vaker in en via mediaberichten lezen en horen. Het heeft allemaal met het groeiend besef over ons koloniale verleden te maken, met als centrale vraag: hoeveel geld is Nederland Suriname schuldig als herstelbetaling voor het geleden leed dat vooral te maken heeft met de slavernij en alles daaromheen?

Ook andere Caraïbische landen zijn bezig zich te beraden op herstelbetalingen door voormalige kolonisatoren. Zij hebben zich verenigd in de Caricom Reparatie Commissie, die zich met input vanuit de diverse landen over dit vraagstuk buigt. Tot nu toe hebben de voormalige kolonisatoren zich afzijdig gehouden van dit debat.

Omdat het in het geval van Suriname gaat het om herstelbetalingen door Nederland, is het interessant om te bekijken hoe Nederland tot nu toe met dit soort betalingen is omgegaan. Suriname was immers niet de enige kolonie van dit land. Wat blijkt: Nederland heeft tot nu toe geen herstelbetalingen betaald, maar als voormalige kolonisator juist compensaties ontvangen. Al deze betalingen hebben met gebeurtenissen rondom de voormalige kolonie Nederlands-Indië te maken.

De Nederlandse bevolking weet vrij weinig over de toedracht van deze compensaties. Ook de mensen voor wie het geld is bestemd weten er weinig van. Journalist en schrijfster Griselda Molemans wilde weten hoe het met een aantal onopgeloste zaken zit en ging op zoek naar antwoorden. Zij schrijft uitgebreid over haar bevindingen in haar onlangs gepubliceerde boek ‘Opgevangen in andijvielucht – de opvang van ontheemden uit Indonesië in kampen en contractpensions en de financiële claims op basis van uitgebleven rechtsherstel’. Dit boek zorgt momenteel voor veel beroering in de Indische gemeenschap.

De achtergrond, in het kort: Nederlands-Indië was langer dan drie eeuwen een kolonie van Nederland, vooral de Verenigde Oostindische Compagnie had het daar lange tijd voor het zeggen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) bezette Japan Nederlands-Indië vanaf 1942. Nadat de Japanners op 15 augustus 1945 capituleerden, verklaarde Nederlands-Indië zich op 17 augustus 1945 onafhankelijk van Nederland. Hierna barstte een bloedige strijd los, want Nederland wilde deze ‘kroonkolonie’ – waar het heel veel geld aan heeft verdiend – niet kwijt.

De Indonesische onafhankelijkheidsstrijd duurde van 1945 tot 1948. Er kwamen ongeveer 5000 Nederlandse militairen om, en naar schatting sneuvelden er 100.000 Indonesische vrijheidsstrijders. Nederland werd uiteindelijk onder druk gezet door de Verenigde Staten van Amerika: als de onafhankelijkheid niet zou worden geaccepteerd, zou de VS de beloofde Marshallhulp stopzetten. Zo kwam het dat Nederland de Indonesische onafhankelijkheid pas op 27 december 1949 erkende.

Volgens Molemans heeft Nederland zich altijd op het standpunt gesteld dat Indonesië als nieuwe republiek herstelbetalingen schuldig was aan haar kolonisator vanwege de investeringen die Nederland door de eeuwen had gedaan. (Ja, dat leest u goed.) Tijdens de onderhandelingen over de onafhankelijkheid eiste Nederland 4,2 miljard gulden van Indonesië. (Ja, ook dat leest u goed.) Tijdens de onderhandelingen voor de herstelbetalingen vanwege de nationalisatie van Nederlandse bedrijven door Indonesië werd dat bedrag teruggebracht tot 600 miljoen gulden. Joseph Luns, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, beschouwde dit bedrag als ‘grootmoedigheid van Nederland’.

Indonesië heeft – voor zover mij bekend is – tot nu toe geen herstelbetalingen van Nederland geëist. De staat Nederland ontving uiteindelijk compensaties die bekend staan als de ‘Thaise herstelbetalingen’, de ‘Japanse herstelbetalingen’ en de ‘Indonesische herstelbetalingen’.

Tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië liet Japan tussen Birma (nu Myanmar) en Thailand de Birma-spoorweg bouwen door bijna 225.000 dwangarbeiders en krijgsgevangenen, onder wie zich volgens de journalist circa 17.399 krijgsgevangenen uit Nederlands-Indië bevonden. Deze spoorlijn is 415kilometer lang en wordt ook wel de ‘Dodenspoorlijn’ genoemd: tijdens de aanleg stierven per dag gemiddeld 200 arbeiders. De Japanse overheid was de eigenaar van die spoorweg. Na de capitulatie van Japan werd het Geallieerde Opperbevel eigenaar van de spoorlijn, die dit belangrijke spoornetwerk en het materiaal vervolgens aan Thailand verkocht. Volgens Molemans ontving de Nederlandse staat in 1955 een tot nu toe geheim gehouden bedrag als compensatie voor geroofd materieel, alsmede een bedrag van 750.000 Nederlandse gulden, bestemd voor de 17.399 Nederlandse dwangarbeiders.

De Nederlandse overheid deed erg weinig moeite om de rechthebbenden van deze ‘Thaise herstelbetalingen’ op te sporen: via twee krantenadvertenties in juni en december 1954 werd gemeld dat rechthebbenden zich per briefkaart bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken konden aanmelden voor de compensatie. Veel voormalige dwangarbeidershebben deze oproep nooit gelezen of woonden op dat moment in Indonesië of Nieuw-Guinea of waren geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Van de rechthebbenden zijn er reeds duizenden personen gestorven. Maar sinds zij met haar onderzoek bezig is, hebben zich tot nu toe 135 rechthebbenden en hun erfgenamen bij Molemans aangemeld, onder wie 15 hoogbejaarde overlevenden (van rond de 91 jaar) van de ‘Dodenspoorlijn’.

Ook Surinaamse KNIL militairen waren tijdens de Japanse bezetting in Nederlands-Indië gestationeerd. En er waren echtparen van Nederlandse mannen en Surinaamse vrouwen in Nederlands-Indië. Hoogstwaarschijnlijk hebben de meesten van hen ook als krijgsgevangene aan de spoorlijn moeten werken en kwamen zij dus in aanmerking voor compensatie, maar hebben ze dat nooit geweten. Molemans is op zoek naar deze Surinamers, en indien zij niet meer leven zou ze graag met hun erfgenamen in contact willen komen. Volgens de bevindingen van de journalist is het tot op heden niet duidelijk wat de Nederlandse overheid met de ‘Thaise herstelbetalingen’ heeft gedaan, elke transparantie ontbreekt.

Na de Tweede Wereldoorlog vonden de geallieerden dat Japan moest betalen voor oorlogsschade. Japan sloot met alle betrokken landen overeenkomsten voor compensatie. Vanwege de handelsbelangen met Japan wilde Nederland in beginsel afzien van compensatie voor haar militairen en burgers. Maar de toenmalig minister van Buitenlandse Zaken, Dirk Stikker, was het daar niet mee eens. Hij zorgde ervoor dat er 38 miljoen gulden aan de Nederlandse overheid werd betaald. Dit bedrag, ook wel de ‘Japanse herstelbetalingen’ genoemd, was bestemd voor de oorlogsslachtoffers uit de kolonie: burgers en militairen met de Nederlandse nationaliteit die in Japanse kampen gevangen hebben gezeten. Daar zaten ook Surinaamse burgers tussen die toen ook de Nederlandse nationaliteit hadden omdat Suriname nog een kolonie van Nederland was. Over de uitbetaling van dit bedrag bestaat evenmin transparantie: ook hiervan wisten de meeste rechthebbenden niet dat ze voor deze compensatie in aanmerking kwamen.

De ‘Indonesische herstelbetalingen’ betreffen de eerder genoemde 600 miljoen gulden als compensatie voor het nationaliseren van Nederlandse bedrijven en het uit het land zetten van Nederlandse burgers in 1958. Het Historisch Nieuwsblad schrijft over dit bedrag: ‘Daarvan was in 1965 al een voorschot van 36 miljoen overgemaakt. De rest zou met een jaarlijkse rente van 1 procent vanaf 1973in dertig jaarlijkse termijnen worden voldaan. Eind 2002 kwam de laatste betaling binnen op een rekening van Buitenlandse Zaken bij De Nederlandse Bank. Elk jaar heeft Jakarta keurig op tijd aan zijn verplichting voldaan. Zowel in Nederland als Indonesië was slechts een enkeling nog op de hoogte van de jaarlijkse betaling.’

Ook voor deze regeling dienden burgers zich via een briefkaart tussen 19 mei en 19 augustus 1969 als rechthebbende aan te melden bij Buitenlandse Zaken. Na deze drie maanden was het indienen van een schadeformulier niet meer mogelijk. De meeste betrokkenen wisten niets over de aanmeldingsprocedure, waardoor slechts een handjevol particulieren en ondernemers deels schadeloos gesteld is door de Nederlandse staat. Wat is er met de rest van het geld gebeurd? Dat er in de toekomst in genoemde kwesties rechtszaken tegen de Nederlandse staat zullen worden gevoerd, staat volgens de auteur als een paal boven water.

Het is duidelijk: herstelbetalingen van Nederland eisen zal een langdurig proces worden. Dat er een bepaalde vorm van compensatie moet komen is evident. Maar welke? Daarover moet nog een belangrijke nationale discussie door de Surinamers zelf worden gevoerd. Is het voor de eenheid onder Surinamers en voor de natievorming van Suriname wenselijk om herstelbetalingen op basis van afkomst te eisen en daarmee een scherpe op afkomst gebaseerde lijn te trekken tussen enerzijds nakomelingen van Afrikanen en Inheemsen en anderzijds de nazaten van contractarbeiders en de rest van de Surinaamse bevolking? Of is het wenselijk om met de voormalige kolonisator een substantiële bijdrage aan de nationale opbouw van het land af te spreken die elke Surinamer in de huidige Republiek Suriname ten goede komt? Aan beide kanten van de oceaan is er heel veel denkwerk en introspectie te verrichten.

Usha Marhé

  1. nederland 19
  2. nederlandse 17
  3. herstelbetalingen 16
  4. nederlands 8
  5. indie 8