Van plantage-economie tot delfstoffenproductie en exporterend land

Een fiasco voor het 17e rijkste land ter wereld
In dit artikel wordt u een analyse gepresenteerd over de historische economische ontwikkeling van Suriname in de koloniale periode en de kwetsbaarheid van de economie door de afhankelijkheid van delfstoffenexport in de 20e en 21e eeuw. Een overzicht van de ontwikkelingsplannen voor en na 1975 geeft u een beeld van het falend beleid tot diversificatie van de economie. In dit artikel wordt ook aandacht besteed aan het verslag van de Wereld Bank en het IMF (2010 – 2015) over ontwikkelingslanden die in de BRIC`s , CIVETS , MIKT en Next Eleven “ ( o.a. Brazilië, India, China, Zuid – Afrika, Bangladesh, Philippijnen, Viȅtnam ) zijn geclassificeerd. Deze landen worden geïdentificeerd als opkomende economieën in de multipolaire wereldorde. Van de BRICS staten ( India en China, twee model staten ) wordt een vergelijkend onderzoek gepresenteerd over de ontwikkelingsconcepten en het succes van deze twee staten in de wereldhandel en wereldeconomie. Van wege de omvang van het artikel vindt de publicatie in delen plaats. Dit artikel is geschreven door de hr. H.Raghoebar M.Sc. docent ADEK.

De plantage economie in de periode 1651 – 1950
In de koloniale periode van Suriname (1650– 1950) was de economie volledig gericht op de productie en export van tropische gewassen ( suiker, koffie, cacao, katoen ) voor de Europese markt. Meer dan 700 plantages langs de Commewijne- en de Surinamerivier in de Jonge kustvlakte werden ingericht voor het verbouwen van tropische gewassen. Gebruik werd gemaakt van slavenarbeid en contractarbeiders. De plantagelandbouw was arbeidsintensief en gebaseerd op de kapitalistische productiewijze en maximalisatie van winst. Het verdiende kapitaal werd zo min mogelijk geïnvesteerd in de economische ontwikkeling van de kolonie. Op bescheiden schaal werd de infrastructuur verbeterd o.a de aanleg van de Oost- West verbinding.

De periode 1950 –1975: het einde van de plantagelandbouw en opkomst van goudwinning
Na de afschaffing van de slavernij nam de plantagelandbouw geleidelijk aan af. Het aantal plantages verminderde in vijftig jaar van 216 in 1863 tot 79 in 1913. In de crisistijd van de jaren ’30 van de vorige eeuw (toen het economisch slecht ging in de wereld) en tijdens de Tweede Wereldoorlog was er geen scheepsruimte om plantageproducten te exporteren. Hierdoor verdwenen in korte tijd nog meer plantages. Tegelijkertijd nam de kleine landbouw toe doordat de voormalige Hindostaanse en Javaanse contractarbeiders die zich vaak daarmee bezig gingen houden, vertrokken. In tegenstelling tot de plantages produceerden zij hoofdzakelijk voor binnenlands gebruik. Het aandeel van de landbouwproducten in de export daalde van 80% in 1863 tot 6% in 1939.
Op economisch gebied wordt Suriname in deze periode wel een plantagemaatschappij-nieuwe-stijl genoemd. De economie is van oudsher sterk afhankelijk van het buitenland. In de periode 1875- 1910 werd door het koloniaal beleid de basis gelegd voor de goudwinning. In 1875 was de goudwinning kleinschalig. De productie bereikte een hoogtepunt in de jaren 1905 – 1910 met een gemiddelde jaarproductie van 1000 kg. De winning daalde door de geringe koopkracht en stijgende productiekosten ( Ir. G. Doeve , GMD ,1966). Van 1875 – 1965 werd in totaal 45000 kg. goud geproduceerd. De vooruitzichten waren zo goed dat er een spoorlijn werd aangelegd naar de goudvelden met een totale lengte van ruim 173 km. Maar de resultaten bleken uiteindelijk zwaar tegen te vallen, de spoorlijn bleef bijna ongebruikt achter. De inkomsten uit de goudwinning werden niet besteed voor duurzame ontwikkeling van de Surinaamse economie.
In de periode 1950 – 1975 werd structureel de basis gelegd voor ontwikkelingsprojecten: het Welfaarts Fonds, het 10 jaren plan, het eerste en tweede 5 jaren plan en het Nationaal Ontwikkelings Plan Suriname. Deze plannen hebben door Bruto Verkavelings- en landaanwinningsprojecten de basis gelegd voor gemechaniseerde grote en middenstands (rijst)bedrijven in het district Nickerie, Saramacca en Coronie. Geïnvesteerd werd in onderwijs, gezondheidszorg, dienstensector en drinkwatervoorziening. Deze plannen hebben allemaal op bescheiden schaal de basis gelegd voor duurzame voedsel ( rijst )productie voor de bevolking en export.

Opkomst van de bauxietwinning
In de periode 1922 – 1998 werd de basis gelegd voor de exploitatie en export van bauxiet, aluinaarde en aluminium. Voor het aluminium productieproces werd het geïntegreerde Brokopondo stuwdamproject operationeel. De export van bauxiet, aluinaarde en aluminium werd de belangrijkste bron van inkomsten voor de staat. In 1947 was Suriname ‘s werelds grootste bauxiet producent. In 1973 stond Suriname op de derde plaats van de wereldranglijst als bauxiet-, aluinaarde- en aluminiumproducerend land. Het BNP van Suriname steeg in 1962 van NF 115 miljoen naar NF 400, – miljoen. De stelling: “export van bauxiet, aluinaarde en aluminium, is de kurk van de Surinaamse economie” was enkele decennia lang in het curriculum van het aardrijkskunde-onderwijs opgenomen.
Volgens prognose zou bij de operationalisatie van het West – Suriname Plan ( 1975 – 1980) het BNP van de staat stijgen van NF 750 ,- naar NF800,- miljoen , hetgeen een toename zou betekenen van 550 %. Bij de realisatie van het Kabalebo stuwdamproject zou het electriciteitsvermogen voor de staat stijgen tot 15 maal hoger dan de Brokopondo stuwdam. Het stopzetten van het West – Suriname Plan in 1980 heeft geleid tot kapitaal verlies ( ruim NF200, – miljoen) en heeft gevolgen gehad voor de Surinaamse economie in de 21e eeuw. De wereldmarktprijzen waren gunstig in die periode en zou de verdiencapaciteit van de staat toenemen en bijdragen tot een groei pool ( multiplier effect ) in het westen van het land. De bauxietwinning was sedert 1922 gericht op de export en in 1960 waren verwerking tot aluinaarde en aluminium, de belangrijkste deviezenbron voor de Surinaamse economie. Deze bedrijfstakken zorgden tot 2010 nog voor 75-80% van de uitvoerwaarde, voor ruim 40% van de inkomsten van de overheid en voor ruim eenderde van het Bruto Nationaal Product (BNP ). De wereldmarktprijs van aluminium is sinds medio 2011 bijna continu blijven dalen; eind vorig jaar werd de laagste prijs in vier jaar tijd genoteerd. Het aandeel van de hele bauxietindustrie is door de jaren heen teruggelopen tot amper 1,5 procent van alle staatsinkomsten. Door de uitputting van de bestaande voorraden aan kustvlakte-bauxiet in 2015 en de dalende wereldmarktprijzen voor deze producten is er een einde gekomen aan de bauxietwinning in Suriname.

Wat is het rendement voor de staat na negentig jaar bauxiet ontginning?
Een deel van de inkomsten uit deze sector werd besteed aan verbetering van de infrastructuur, de gezondheidszorg, de diensten sector en financiering van de bruggen over de Suriname- en de Coppenamerivier, hetgeen als een positief effect genoemd kan worden, in tegenstelling tot wijdverspreide (verborgen) armoede; naar schatting leeft momenteel, anno 2016, meer dan 60% van de beroepsbevolking onder de armoedegrens, er is toename van de werkloosheid, de informele sector en de woningnood.( wordt vervolgd ).

H. Raghoebar M.Sc. docent ADEK

  1. suriname 11
  2. periode 9
  3. economie 9
  4. export 7
  5. bauxiet 7