Honderdvijftig jaar parlement (deel 1)

De pessimisten in ons land zullen, bij het vernemen van de aankondiging van DNA, om hun dies natalis feestelijk te herdenken, de wenkbrauwen zeker hebben gefronst. Viel er werkelijk iets te vieren? Heeft de installatie honderdvijftig jaar geleden zoveel goeds gebracht? Heeft zij aan de verwachtingen voldaan? Wat werd destijds beoogd met een parlement?
De instelling kan niet los gezien worden van de staatkundige worsteling, die zich in veel landen in Europa als gevolg van de Franse Februari Revolutie van 1848 aan het voltrekken was. Overal eiste het volk meer zeggenschap. Koning Willem II die de bui zag hangen installeerde een commissie onder voorzitterschap van Rudolf Thorbecke om de gemoederen te kalmeren en ging daarbij eigenlijk bij de duivel te biecht. Deze staatsman was geboren in 1798 en overleed in 1872. Hij was al op 22 jarige leeftijd gepromoveerd tot Doctor in de Letteren aan de Universiteit van Leiden. In 1825 was hij aangesteld als Buitengewoon Hoogleraar aan de Universiteit van Gent met als leeropdrachten Europese geschiedenis, internationale betrekkingen. statistiek en staatshuishoudkunde (de vroegere naam voor economie. Thorbecke was een fel tegenstander van het absolute koningschap. Dat had hij jarenlang als leider van de radicale vleugel van de liberale partij, in woord en geschrift laten blijken. Hij wordt dan ook als de grondlegger van het parlementarisme in Nederland beschouwd. De grondwet die onder zijn leiding tot stand kwam, gaf daarom ruime bevoegdheden aan het parlement en legde de macht van de vorst aan banden.
Nederland werd daardoor een monarchie met beperkte bevoegdheden voor het staatshoofd en alle macht aan het parlement. Dat is het nog steeds en tot volle tevredenheid van een ieder. Hetgeen blijkt uit het feit dat het met de andere Europese monarchieën behoort tot de gelukkigste landen van de wereld als wij de ratings mogen geloven van de Verenigde Naties over het geluksgevoel.
Een belangrijke kwestie die de gemoederen destijds bezighield was het kiesrecht, dat diende te bepalen wie dan in het parlement met die geweldig toegenomen bevoegdheden zouden terechtkomen en wie hen dan wel zouden hebben gekozen. In moderne terminologie het passief kiesrecht (het recht om gekozen te worden) en het stemrecht.(het recht om te kiezen) Er waren een paar visies daaromtrent.

Liberale visie
De liberalen vonden dat alleen mensen met een zekere ontwikkeling genoeg verstand zouden hebben om te bepalen wie adequaat voor hun belangen in het parlement zouden kunnen opkomen. Een kiezer had anders gezegd, er belang bij om voor mensen te stemmen die verstand van zaken zouden hebben.
Ze gingen er vanuit dat mensen met geld meestal goed opgeleide mensen waren die bijgevolg verstand zouden hebben van politiek. Daarnaast kostten alle beslissingen van de overheid geld. Dat geld werd opgebracht door mensen die belasting betaalden. Die hadden dus recht om te stemmen en erop toe te zien dat geen mensen in het parlement terecht kwamen die hun zoet verdiende geld over de balk zouden gooien. Ook zouden mensen die belasting betaalden een bepaalde mate van bezit hebben. Bezit betekent een economisch belang in de samenleving. De burger zou door eigen inzet en de politiek dat bezit willen behouden en uitbreiden. Tenslotte wisten mensen die belasting betalen, meestal ook daarmee om te gaan.

Capaciteitskiesrecht
De katholieken waren het daarmee eens, maar wilden het stemrecht uitbreiden tot mensen die bekwaam geacht werden of konden bewijzen bekwaam te zijn zonder over geld te beschikken. Zij die bekwaam geacht werden, waren dat ofwel op grond van hun diploma van hoger of van middelbaar onderwijs, ofwel op grond van bepaalde functies die ze uitoefenden, ofwel op grond van verder gespecificeerde bewezen diensten. Daar hadden zij een lijst van. Zij die enkel lager onderwijs gevolgd hadden, zouden eveneens politieke rechten moeten verwerven door te slagen voor een speciaal georganiseerd examen, wat hun bekwaamheid moest bewijzen. Ze kregen in 1887 hun zin. In veel landen werden beide systemen naast elkaar toegepast. Men sprak van census en capaciteitskiesrecht.

Algemeen kiesrecht

De socialisten waren het daarmee volstrekt oneens. Ze wensten algemeen kiesrecht voor een ieder met slechts een nader te bepalen leeftijdsgrens. Ze beriepen zich op de Amerikaanse Bill of rights. All men were born equal.
Zowel de liberalen als de katholieken verzetten zich daartegen. Zij vonden dat het onontwikkelde onopgevoede volk niet de breeding zou bezitten om op waardige en kundige wijze de belangen van het land te dienen.
De Socialisten zouden moeten wachten tot 1917 toen de landen, geschrokken van het communistische geweld, besloten het stemrecht ook aan de lage klasse toe te kennen. Alle mannen kregen zowel passief (het recht om gekozen te worden) als actief kiesrecht (het recht om te mogen kiezen). De vrouwen kregen alleen het passief stemrecht. Het actief kiesrecht zouden ze pas later verwerven.

Surinaamse toestanden
Waarom we in 1865 een parlement kregen weet ik ook niet. Er was geen dreiging noch van binnen noch van buiten. Ik ben geen staatsrechtman en weet van dit vakgebied praktisch niets af. Ik weet ook niet welke bevoegdheden het parlement kreeg. Ik herinner me wel dat we census en capaciteitskiesrecht hadden. Pas in 1948 kregen wij het algemeen kiesrecht en mocht een ieder boven de 23 jaar gaan stemmen.
Wat ik wel weet is dat de vrees van degenen die lang terug hadden voorspeld dat toekenning van het stemrecht aan mensen zonder ontwikkeling, zonder beschaving, en zonder geld, zou leiden tot wantoestanden, geheel en al werd bewaarheid. De vrees was dat ze niet de ontwikkeling zouden hebben om mensen te kiezen die verstand zouden hebben van staat of geldzaken. Of mensen te kiezen die een voorbeeldfunctie zouden hebben voor de gemeenschap qua gedrag of uitstraling. Ons parlement werd een karikatuur van wat vroeger daaronder werd verstaan. Op alle punten kregen de tegenstanders gelijk. De toetreding tot het lichaam van mensen die zelf geen belasting betaalden, zou maken dat belastinggelden over de balk gegooid zouden worden. De toetreding van mensen zonder opleiding zou ervoor zorgen dat onbekwame mensen gekozen zouden worden die het schip van staat zouden laten zwalken .De toetreding van mensen zonder breeding (innerlijke beschaving) zou de waardigheid van het heiligdom eroderen. Wat wisten die nou van ‘noblesse oblige’. De adel verplicht. Hun aanspreektitel zou luiden hoogedelgestrenge heer of dame. Niemand bij zijn volle verstand haalt het toch in zijn hoofd om sommige van de huidige leden met hoogedelgestrenge heer of dame aan te spreken?
We hebben veel mogen meemaken sedert wij het zelf mochten doen. Vechtpartijen en scheldpartijen bij de vleet. We hebben mogen meemaken hoe leden uit de zaal werden verwijderd wegens onwelvoeglijk taalgebruik of omdat de leiding ze gewoon niet lustte. We hebben mogen meemaken hoe gekozen leden uit eigen belang overliepen van hun partij naar een andere partij. We hebben mogen meemaken hoe waardigheid en fatsoen een steeds kleinere rol gingen spelen in het onderlinge verkeer en hoe mensen die grof betaald worden hun plicht verzaken en gewoon wegblijven wanneer het zo in hun kraam te pas komt. De leden denken dat zij door te flaneren met jas en das voldoen aan de eisen van decorum. Uiteraard kennen ze de lijfspreuk van de universiteit van Oxford niet. Deze luidt: not dress make the man; manners make the man.

Optimisten
Optimisten als ik hadden ons schrap gezet om redevoeringen van hoog gehalte geënt op de beroemde grafrede van Pericles over aard, wezen en belang van democratie, aan te horen. Die rede wordt vaak als model gebruikt voor dit soort gelegenheden. De laatste tijd komt die van Barack Obama yes we can, waarin de grote staatsman de jeugd voorhoudt om niet bij de pakken neer te zitten maar vooruit te gaan, meer in zwang. En niet te vergeten Martin Luther King´s I have a dream. Wat een teleurstelling! De gebruikelijke steken onder water om niet vrolijk van te worden. Als hoogtepunt bood de president de gemeenschap een bibliotheek aan waarin stukken zullen worden ondergebracht over onze staatkundige geschiedenis. Bij eerste aanschouwing een belangrijke geste. Bibliotheken vormen schatkamers van het verleden. We kunnen uit de daarin opgeslagen geschriften gewaar worden wat in het verleden verkeerd is gegaan om dat te vermijden, maar ook wat goed is gegaan om dat na te bootsen. Bij nadere reflectie blijkt de gemeenschap blij te zijn gemaakt met een dooie mus. De Amerikanen zeggen het kort en bondig: ‘you can take a donkey to the river to drink. You cannot force it to drink’. Zelfs de president zal een grote bocht maken om de bibliotheek heen. Daar zal geen mens in geïnteresseerd zijn. In mijn boek “Politiek Betaalt”, wordt een brok Surinaamse geschiedenis beschreven, Noch de president noch diens adviseurs noch de leden van het parlement hebben ooit de moeite genomen om daarin te spieken voor ideeën hoe onze staatkundige geschiedenis vanaf het prille begin zou kunnen hebben gelopen. Niet alleen omdat men in dit land niet leest en het lezen overbodig acht als kennisbron en ook omdat men alles al weet, maar door iets anders wat ik in deze essay nader zou willen uitwerken.

(wordt vervolgd)

Mr.dr. Walther Donner

  1. mensen 17
  2. parlement 10
  3. kiesrecht 7
  4. geld 6
  5. kregen 6