Justitieel plagiaat

Enkele weken geleden werd mijn aandacht getrokken door een uitspraak van een advocaat in één van de plaatselijke dagbladen. Hij beklaagde zich erover dat een rechter in een vonnis een uitspraak had gedaan, waarbij hij zeer waarschijnlijk uit een vonnis van een andere (wellicht Nederlandse) rechter had geciteerd zonder de bron te vermelden. Deze uitspraak was in het nadeel van de cliënt van de advocaat. Laatstgenoemde sprak er zijn misnoegen over uit dat hij tegen bedoelde uitspraak geen goed verweer kon voeren zonder de desbetreffende bron te kunnen raadplegen.
Dit omdat elk vonnis betrekking heeft op een specifieke situatie, die zich wellicht in een andere geval niet voordoet. De vraag die rijst is of het een verplichting is voor een rechter of andere autoriteit uit de rechtspleging, bijvoorbeeld de procureur-generaal om, indien hij zijn argumentatie ontleent aan een bepaald geschrift, zulks dient te vermelden.

In sommige vonnissen wordt wel verwezen naar andere uitspraken indien deze gebruikt worden. Een goed voorbeeld hiervan is het zogenaamde Amnestiewetvonnis, gewezen door de Krijgsraad op 11 mei 2012, waarin acht voetnoten zijn genoemd voornamelijk artikelen verschenen in het Surinaams Juristen Blad (SJB). Zowel voor de betrokken partijen als de commentatoren bevatten deze verwijzingen bruikbaar materiaal. Voor de belanghebbende partijen gaat het om materiaal dat bijvoorbeeld in hoger beroep gebruikt kan worden, terwijl de commentatoren (bijvoorbeeld schrijvers van annotaties) dit kunnen meenemen in hun publicaties.

Dit laatste deed zich recentelijk voor met het vonnis van het Hof van Justitie in de strafzaak tegen R.E. Ritfeld (27 januari 2014). De annotator Mr. G. Best plaatste de kanttekening dat het O.M. (Openbaar Ministerie) gesuggereerd zou hebben dat er in onze wet een toetsingsverbod zou bestaan d.w.z. dat de rechter niet zou mogen oordelen of de wetten in strijd zijn met bijv. de Grondwet (GW). Het O.M. verwees hiervoor naar een Nederlandse verhandeling. Hierdoor was de annotator in de gelegenheid erop te wijzen dat de opmerking wel geldig is voor Nederland, maar niet voor Suriname. In Suriname geldt juist een toetsingsgebod, d.w.z. dat de rechter verplicht is na te gaan of in het concrete geval de wet niet in strijd is met de GW of internationale verdragen. Mocht dat wel het geval zijn, dan moet de desbetreffende wet of wetsbepaling buiten toepassing blijven.
Uit dit voorbeeld blijkt dat het in ieder geval zinvol is en aanbevolen moet worden dat de rechter in zijn vonnis en het O.M. in zijn requisitoir, wel aan bronvermelding doet, indien geput is uit geschriften die geraadpleegd zijn. Een verplichting hiertoe lijkt mij niet aanwezig te zijn.

Volgens Wikipedia is plagiaat (plastisch genoemd ’letterdieverij’) het overnemen van andermans werk zonder correcte bronvermelding. De pleger van plagiaat doet het voorkomen alsof het eigen werk is.
Anders dan bij de gebruikelijke vormen van plagiaat, waarbij de plagiaatpleger persoonlijk voordeel beoogt te halen uit het niet noemen van de bron, zie ik in het niet vermelden van de bronnen door de justitiële autoriteiten geen voordeel voor laatstgenoemden. Het gebruik van de bronnen is in dit verband slechts bedoeld om tot een zo rechtvaardig mogelijk oordeel te komen in een bepaalde zaak, waarmee het algemeen belang gediend wordt.

Wel zou men zich kunnen afvragen of het ethisch juist is, in ieder geval tegen de auteurs van artikelen waaruit geput is, hun naam en werk niet te vermelden. Zelf heb ik mij bij het lezen van vele vonnissen gewezen door Surinaamse rechters, afgevraagd of deze niet (mede) gebaseerd zijn op artikelen uit het SJB. Zoals vermeld wordt in sommige vonnissen wel verwezen naar de bronnen, maar in andere niet, terwijl het er veel van heeft dat gebruik gemaakt is van andermans publicaties.
In ieder geval lijkt mij de klacht van de in het begin van dit artikel genoemde advocaat terecht, indien inderdaad gebruik gemaakt is van de overwegingen uit een ander vonnis. De cliënt van de advocaat die in hoger beroep gaat, wordt inderdaad belemmerd in zijn verdediging als hij niet kan nagaan op welke situatie de gebruikte overweging van toepassing was.
Ik pleit er daarom voor dat de justitiële autoriteiten, evenals dat in de wetenschap het geval is, wel hun bronnen moeten vermelden, ook al zou er daarvoor geen wettelijke verplichting bestaan.

Carlo R. Jadnanansing
  1. geval 7
  2. rechter 6
  3. vonnis 6
  4. vermelden 5
  5. uitspraak 4