Sranan Sabiman : Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck

Cornelis van Aerssen, heer van Sommelsdijck (20 augustus 1637, Bommel – Paramaribo, 19 juli 1688) was een kolonel der cavalerie.

Hij was gouverneur van Suriname van 28 november 1683 tot de dag waarop hij werd vermoord.

Van Aerssen was via zijn vrouw (de dochter van een Franse militair) gelieerd aan het Franse gewest Montbrun, gelegen aan de voet van de beruchte Mont Ventoux.

Zijn jeugd

Cornelis van Aerssen stamde uit de familie Van Aerssen. Hij was de tweede zoon van Cornelis van Aerssen en Lucia van Walta.

Hij werd als jongeling aan het hof van prins Willem II geplaatst. Tussen december 1656 en 1658 reisde hij met zijn oudere broer François en hun gouverneur Brunel door Frankrijk naar Spanje.

Met de kerstdagen waren zij in Parijs. Zij bezochten de Notre-Dame, de fabriek van Gobelins, het Palais du Luxembourg, de ambassadeur Willem Boreel, en gemaskerde bals.

De balletten met Lodewijk XIV duurden zo lang dat ze zich verveelden. Hij trouwde in 1664 in Parijs met Margaretha de Puy de Saint André Montbrun.

Van Sommelsdijck verveelde zich in gezelschap van Lodewijk XIV

In 1666 was hij betrokken bij de Tweedaagse Zeeslag en de controverse tussen Michiel de Ruyter en Cornelis Tromp. Het jaar daarop bood hij zijn diensten aan Johan de Witt aan.

In 1672 had hij moeite om zijn positie als kolonel in het staatsleger te handhaven, want hij genoot niet het volledige vertrouwen van stadhouder Willem III.

In 1679 stond hij weer op goede voet met de prins en in 1682 spraken zij af dat hij ambassadeur aan het Franse hof zou worden. Omdat hij niet in de Ridderschap werd opgenomen, wat hij eiste, sloeg hij de ambassade later af.

Suriname

Cornelis van Aerssen voelde zich niet langer op zijn gemak in Haagse kringen. Hij wilde iets tot stand brengen en bemoeide zich als eerste directeur, samen met Philip van Hulten met de oprichting van de Sociëteit van het onontgonnen Suriname.

Hij kocht op 21 mei 1683 voor 86.666 gulden, een derde part in de Sociëteit van Suriname. Hij liet zich door de andere deelhebbers - de West-Indische Compagnie en de stad Amsterdam - tot onbezoldigd gouverneur van Suriname verkiezen.

Paramaribo telde 1.000 inwoners en vooral kroegen en bordelen

Cornelis scheepte zich op 3 september 1683 in op Texel en kwam op 24 november 1683 te Paramaribo aan.

Er woonden in die jaren ongeveer 1.200 blanken in Suriname en in Paramaribo stonden niet meer dan zestig huizen, waaronder veel kroegen en herbergen. Het garnizoen soldaten bedroeg driehonderd man.

De Jodensavanne
– schilder en datum onbekend –

Bij de overname van het bestuur van het gewest Zeeland was de gehele kolonie door twisten en onenigheid verscheurd.

Van Aerssen stelde voor een Politycke Raed in te stellen van acht in plaats van tien kolonisten en raakte al snel in conflict met de raad. Reeds na een jaar gouverneurschap wenste hij zijn functie alweer op te geven.

Als Calvinist probeerde hij de zondagsrust in te voeren en de slaven meer vrijheden te geven, maar kreeg kritiek van zowel de Joodse plantage-eigenaren als vanuit Amsterdam.

In 1686 gingen de Zeeuwen akkoord met de oprichting van de Sociëteit van Suriname, onder de voorwaarde dat er geen katholieken in de raad kwamen.

Dat schoot bij Van Aerssen die had geklaagd over het gebrek aan predikanten in het verkeerde keelgat.

De dode paters werden met een schip heen en weer gestuurd

Drie blanke, katholieke paters - na enkele jaren in de tropen gestorven - werden op bevel van Van Aerssen opgegraven en naar de Staten van Zeeland opgestuurd als bewijs dat ze geen kwaad meer konden doen.

De kisten werden evenwel geweigerd in Middelburg en met inhoud en al teruggestuurd naar Suriname.

Cornelis van Aerssen vroeg in 1686 de regenten van het aalmoezeniersweeshuis om de toezending van enige tientallen kinderen, die onder de gereformeerde planters zouden worden verdeeld.

De gouverneur klaagde in zijn brieven aan de directeuren over het gebrek aan ambachtslieden zoals metselaars en timmerlieden in de kolonie. In 1688 vroeg hij om honderd slaven voor de bouw van een fort, alsmede honderd soldaten.

Militairen in Fort Sommelsdijck
– foto omstreeks 1884 –

Van Aerssen reorganiseerde het meet-, gewicht- en muntwezen. De meeste betalingen konden in suiker worden voldaan. Hij verordende dat de planters en hun opzichters de slaven niet meer dan drie zweepslagen mochten toedienen wat in die tijd een grote verlichting betekende.

Joodse planters kregen zijn toestemming hun slaven toch op zondag te laten werken, maar daarvoor kregen deze slaven op de sabbat wel vrij.

Van Sommelsdijck gaf de slaven meer vrijheden

Cornelis van Aerssen was autoritair en driftig, zodat hij met burgers en ambtenaren in botsing kwam. Hij sloot een gemakshuwelijk met een verder onbekende Indiaanse.

Deze Surinaamse Pocahontas werd heel oud en kwam geregeld aan bij Charlotte van der Lith, de weduwe de Cheusses, die zij haar ‘dochter’ noemde.

Onder zijn bestuur leerde men de waterhuishouding te beheersen, waardoor ook de lager gelegen gronden beplant konden worden. Van Aerssen liet dijken bouwen en sluizen aanbrengen.

Hij reorganiseerde de economie en waterhuishouding

Hij bracht deze techniek voor het eerst in praktijk op een suikerplantage nabij Paramaribo, waartoe onder meer een bestaande kreek, later Van Sommelsdijckkreek genoemd, uitgediept werd.

Dit graafwerk werd gedaan door blanke militairen en veroordeelde Hollandse misdadigers uit het tuchthuis van Amsterdam.

Fort Zeelandia
– gezien vanaf de Surinamrivier –

Toen dronken soldaten vonden dat ze bij hun harde arbeid aan het Fort Zeelandia niet genoeg te eten en te drinken kregen, ging een vertegenwoordiging van elf man op 19 juli 1688 naar de gouverneur en eiste betere voeding en minder werk.

Dit optreden beviel Van Aerssen niet; hij trok zijn degen om de elf weg te jagen, maar de opstandelingen waren hem voor. Van Aerssen en zijn assistent Laurens Verboom zijn door de rebellerende militie vermoord.

Dronken soldaten hebben van Sommelsdijck vermoord

De muitende soldaten werden berecht of opgehangen, de rest werd in kleine groepjes teruggestuurd naar de Republiek en zoals beloofd vrijgelaten.

Zijn weduwe verzocht haar aandeel in de kolonie in te leveren, wat niet werd toegestaan. Cornelis van Aerssen had grote schulden gemaakt en zijn weduwe gaf te kennen de aandelen in de Sociëteit van Suriname van de hand te willen doen.

Noch de stad Amsterdam of de WIC was geïnteresseerd in Suriname. In de stad Rotterdam werd gesproken over de overname van de aandelen, stadhouder Willem III weigerde echter.

In retrospectief

Cornelis van Aerssen, in de geschiedschrijving vaak als een vermogend edelman omschreven, was in zekere zin een stroman van Amsterdamse belangen.

Het geld om zijn aandeel in de Geoctrooieerde Sociëteit van Suriname te betalen, moest hij lenen van Amsterdamse financiers. Zijn beheer over de grootste plantage moest hij noodgedwongen samen met enkele andere Amsterdamse bestuurders delen.

Hij was geen rijk en vermogend edelman

Deze tekortkomingen maken samen met zijn kapitale schuldenlast na zijn overlijden duidelijk dat hij ten onrechte de geschiedschrijving is ingegaan als een zeer rijk en vermogend edelman.

Bron : Wikipedia / online archieven


— UW MENING —

Kende u de levensloop van Van Sommelsdijck?